CC Muze - Heusden- Zolder

Eerste steenlegging CC Muze op 30 09 2017


Inleiding bij eerste steenlegging doot Philip Baelus:
 
Zoals reeds aangekondigd, zullen we het vandaag hebben over de tweede fase van dit omvangrijk project.
Het is niet de bedoeling om U meteen de grondplannen toe te lichten : die zijn té complex en niet met enkel woorden en één blik te vatten . Maar ook het voorgaand ontwerp- en beslissingstraject was ingewikkeld en dat heeft niet alleen te maken met de bijzondere aard van het geklasseerde gebouw maar vooral ook met en het nieuwe bouwprogramma. 
 
Het sleutelwoord van dit project ligt perfect in lijn met het hoofdthema van de Open Monumentendag van dit jaar, waarbij in de media door onze Minister-president omstandig werd gesteld dat hij de focus legt op de herbestemming van erfgoed. Dit lijkt op het 1ste zicht misschien té evident als hoofdthema omdat restaureren meestal per definitie samengaat met het herbestemmen. En toch, als de minister-president daar wél een punt van maakt, is er allicht meer aan de hand……dus gaan we eerst wat dieper in op het vermeende verschil tussen restaureren en herbestemmen.
 
Tot voor de 19de eeuw maakte men eigenlijk helemaal dat verschil niet . Indien voorheen een monumentaal gebouw zijn functie verloor en niet herbestemd kon worden werd het een ruïne of werd het afgebroken en als materialen-stock ontmanteld . Ofwel werd het simpelweg verbouwd op maat van het nieuwe programma en werd er met het bestaande enkel rekening gehouden indien het écht bruikbaar was. In het beste geval , als het gebouw toch nog enig respect afdwong, werd het wat opgesmukt op maat van de laatste architectuur-stijl. 
Herbestemmen was dus eigenlijk nooit een problematisch punt. Pas in de 19de eeuw had men om romantische redenen meer aandacht voor het behoud en de restauratie van de grote monumentale gebouwen zoals kerken en kastelen. Het ging toen zeker nog niet over utilitair of industrieel erfgoed . Bij die eerste golf van restauraties ging men enkel uit van het behoud én reconstructief herstel. Deze overdreven reconstructieve en conserverende visie op restauratie werd toen in grote mate gestuurd door de overheid waaronder dus ook de piepjonge Belgische staat die kosten noch moeite spaarde om haar pas verworven autonomie te bewijzen met een nieuw gebouwenpatrimonium dat stilistisch hoofdzakelijk verwees naar haar glorieus verleden. In die tijd werd de Koninklijke Commissie van Monumenten en Landschappen opgericht die moest toezien op de wettelijke bescherming en de restauratie van de pas als monument geklasseerde gebouwen. Deze visie werd vertaald in een wetgeving die grotendeels in gebruik zou blijven tot de overheveling van de bevoegdheden naar de Vlaamse Overheid die daarna andere accenten wilde leggen. Vooral in de jaren ’80 wilde de nieuwe en ambitieuze erfgoed-administratie , mede onder impuls van allerlei drukkingsgroepen, dringend wat doen aan een ruimere en betere bescherming van ons erfgoed en werd er veel intensiever geïnventariseerd en bijkomend beschermd om de opgelopen achterstand in te halen. En dit gebeurde dan ook tegen een hoog tempo, dikwijls zonder al te veel overleg of ruimere inspraak. En het ging dus toen ook al lang niet meer om de klassieke monumenten maar om alle soorten van gebouwen , industrieel-archeologisch patrimonium en landschappen. 
   
En dus moesten ook de pas gesloten mijnen in de provincie Limburg geklasseerd worden terwijl men die in Nederlands Limburg bv. simpelweg heeft afgebroken toen ze niet meer operationeel waren. Vandaag blijft van die sites slechts een fractie over: het was immers onbegonnen werk om de volledige infrastructuur van een complete mijn in stand te houden. 
Dit gebeurde enkel in Beringen, bij wijze van compromis. Bij al de andere mijnen behield men enkel de meest representatieve en monumentale gebouwen alsook de opvallende schachtbokken. Enkel in Heusden- Zolder werd één van de twee schachtbokken afgebroken. Dit beperkt behoud was noodzakelijk om de gigantische terreinen te kunnen ontwikkelen voor de reconversie. Ook op schaal van de gebouwen zélf gebeurde de bescherming selectief. Niet alle machines in die gebouwen werden geklasseerd omdat het gewoon onbetaalbaar zou zijn geweest om dat alles te restaureren. 
Aanvankelijk werd de bescherming eerder aangevoeld als een opgelegde verplichting want in een aantal gevallen bleek na de sluiting het onderhoud van die gebouwen een hopeloze zaak en dus geraakte menig mijngebouw, waaronder dit gebouw, naderhand snel in verval ondanks het beschermd statuut. Dit had uiteraard veel te maken met de woede om de te snelle sluiting waardoor de gebouwen eerder werden geassocieerd met werkloosheid en onmacht i.p.v. de Limburgse identiteit. Maar het heeft ook veel te maken met het feit dat de voormalige eigenaar ook helemaal niet op zoek was naar een mogelijke herbestemming.
En dat is qua Erfgoed anno 2017 ook meer en meer dé hoofdbezorgdheid van de Vlaamse Overheid. Er zijn immers te veel monumenten en te weinig geld om ze allemaal te restaureren. En dus wil men op z’n minst dat elke investering rendabel én duurzaam is. Zo stelt men zich vandaag bijzonder kritisch op bij het louter “restaureren om te restaureren ” zoals dat in de 19° eeuw courant was en waar men niet stilstond bij de functie en het nut van die gebouwen. Het louter conserveren voor het nageslacht was toen al een doel op zich. Vandaag beseft men dat een gebouw dat niet echt gebruikt wordt , meestal ook niet goed wordt onderhouden en dus veel sneller zal vervallen en opnieuw dure restauraties zal uitlokken. En door een gebouw effectief te gebruiken , wordt het ook intensiever beleefd door de bevolking . 
 
Verder wil Erfgoed eigenlijk af van de speciale categorie onder de monumenten , nl. deze met ZEN -statuut (zonder economisch nut) en dus werd het percentage van de restauratiepremie een tijd geleden verlaagd met 20 % om de eigenaars, meestal gemeentebesturen, te verplichten die ZEN-monumenten te herbestemmen i.p.v. ze louter te conserveren. Meestal is dit een nachtmerrie want het is verre van evident, meestal zelfs onmogelijk om een monument dat nooit bestemd was “als gebouw” te herbestemmen. Machinegebouwen staan per definitie vol met machines en als die ook beschermd werden kunnen die zelfs niet verplaatst worden. 
 
 
 
Dat het thema “herbestemming” dus zelfs voor zulke moeilijke gebouwen nu zo wordt geaccentueerd is niet alleen bedoeld voor de eigenaars en ontwerpers, maar vermoedelijk ook voor de eigen administratie. Het is immers niet altijd evident om de herbestemming te combineren met een behoudsgezinde visie van het beschermde erfgoed zoals die doorgaans toch nog meestal wordt verdedigd door de erfgoed-administratie. 
Het is allicht niet toevallig dat de minister-president dan ook vindt dat de “architect op zoek moet gaan naar de toleranties voor verandering samen met het agentschap Erfgoed : hoe ver kan men gaan om de erfgoedwaarde niet verloren te laten gaan ?”
 
Heel die hiervoor geschetste problematiek kan niet beter geïllustreerd worden dan met dit gebouw.
Deze machinezaal en de drie ophaalgebouwen stonden al jaren te verkommeren en al de machines waren door dieven gedemonteerd op zoek naar koperdraad. 
   
 
Het gemeentebestuur kon het gebouw voor een habbekrats overkopen van LRM en deed dit vooral met de bedoeling om in deze grote lege hallen het CVO-schoolcomplex onder te brengen.
Dat bleek al gauw een vrome wens want men had niet verwacht dat de compressoren in deze zaal toch écht moesten blijven staan op vraag van Erfgoed en dat de ruimte van deze gigantische hal niet noodzakelijk intact maar dan toch zeker zeer herkenbaar moest blijven. 
 
En de helft van die machines hangt bovendien ook nog in het onderdek dat daardoor eigenlijk zelfs niet als een ruimte kan beschouwd worden maar eerder als een machinekamer van een stoomboot.
Dat was een behoorlijke streep door de eerste intentienota en dus moest die herbekeken worden voor er een ontwerpwedstrijd werd uitgeschreven. Dus een gebouw herbestemmen betekent dus alvast niet dat het zo maar per definitie kan leeg gemaakt worden.
 
 
 
 
 
     
Omdat het beoogde programma niet volledig kon gerealiseerd worden in het bestaand gebouw , was een aanvullende nieuwbouw ernaast onvermijdelijk.
En deze gigantische compressorenzaal werd dan maar noodgedwongen geprogrammeerd als evenementen-zaal en slechts voor een deel ingepalmd door het CVO met een afgesloten trappenpartij en het open-leer-centrum in een opgehangen glazen box. De zones met machines die niet beschermd waren, konden gelukkig vrijgemaakt worden zodat er toch wat meer nuttige vloeroppervlakte beschikbaar was. 
In elk geval moest ook het tweede ophaalgebouw integraal bewaard blijven als een museaal ensemble omdat het de enige ophaalmachine was in dit complex die beschermd was . 
Het derde ophaalgebouw werd toen nog niet aangepakt : dat zou in een volgende fase casco gerestaureerd worden en mocht wél , net als ophaalgebouw 1, opgevuld worden met nieuwe draagvloeren, lift en trappenkern. Het was de bedoeling om ophaalgebouw 3 te verhuren.
 
Maar terwijl er moest gewacht worden op de restauratiepremie voor de 2de fase werd elders in de gemeente de vraag gesteld of het cultureel centrum Muze in zijn te kleine en verouderde betonnen cultuurtempel zou blijven mits een ingrijpende renovatie of zou verhuizen naar de mijnsite, in aanvulling op de reeds afgeronde Luchtfabriek. Ondertussen werd die laatste fabriek immers in stijgende lijn gebruikt voor alle mogelijke events, concerten en zelfs toneelvoorstellingen. 
 
Wat misschien even belangrijk is, is het feit dat deze activiteiten in ideale omstandigheden kunnen plaats vinden: het gebouw is zowel akoestisch als thermisch goed geïsoleerd en kan dus zonder overlast naar de buurt geëxploiteerd worden, wat niet van andere gelijkaardige mijngebouwen in de buurt kan gezegd worden. Hierin werd zwaar in geïnvesteerd ook al mocht dit het karakter van het gebouw niet drastisch wijzigen. Eens de sfeer goed zit en de infrastructuur op maat is aangepast , heeft men enkel nog maar enthousiasme en overtuiging nodig om het gebouw voluit te willen gebruiken als unieke scene . Als opwarming voor de volledige transfer van de Muze belooft dat alvast.
Wat ook de doorslag mag gegeven hebben voor deze geplande verhuis: voor ons team was dit een gedroomd scenario 
* de ruimte van ophaalgebouw 3 kon maximaal behouden blijven en moest niet langer in schijfjes opgedeeld worden
* De museale zaal van ophaalgebouw 2 zal niet langer een eindpunt zijn op de architecturale wandeling door het lang gerekte gebouw 
* er zou nog meer doorstroming komen waardoor de publieke belangstelling voor de site alleen maar zou toenemen.
 
 
 
 
   
 
Ook al gaat het om een groot monumentaal gebouw: het resterende deel voor fase 2 betrof aanvankelijk enkel de derde ophaalmachine-zaal en een eerder kleine balkvormige annex. Deze laatste werd pas in 1959 tegen de voormalige zijgevel aangebouwd omdat er extra machines nodig waren voor de gloednieuwe skip-installatie van de schachtbok. Het is trouwens niet de enige “doos” die tegen het gebouw werd geplaatst in opvolging van steeds bijkomende installaties op maat van de voortdurende evoluerende technologie. De meeste van deze aanbouwsels werden weggebroken bij de grote opkuis van het terrein en lieten littekens na op de bakstenen gevels
Al snel bleek dat de ambities van Muze zoals vertaald in het programma van eisen groter waren dan het gebouw zelf en dat er dus buiten de lijnen moest gekleurd worden. Aanvankelijk dachten we eraan om de beschikbare lege vlekken in de compressorenzaal daarvoor te recupereren teneinde deze monumentale “evenementenzaal deze keer toch iets concreter te herbestemmen. Maar dat was buiten het Muze-team gerekend die hun verworven buit ondertussen niet terug wilden afstaan omdat ze daar na één jaar het creatief potentieel ervan hadden ontdekt. En dus moesten wij op onze beurt beginnen na te denken op welke wijze het beschermd monument zou kunnen worden uitgebreid. 
Onze eerste reflex was uiteraard om de recente annex af te breken en te vervangen door een grotere nieuwbouw in de richting van het plein. Maar ook al is die annex zelfs nog geen 60 jaar oud en bevatte deze zelfs al lang de machines niet meer waarvoor het gebouwd was : een volledige afbraak mocht van Erfgoed niet overwogen worden omdat elke toevoeging of aanpassing aan dit aanvankelijk klassiek ogend paleis een eigen verhaal opriep . Het is dus niet de stilistische monumentaliteit van dit gebouw die karakteristiek is maar eerder het feit dat dit massief gebouw voortdurend moest aangepast worden door de mijningenieurs eens ze het gebouw hadden overgenomen in exploitatie. Het fraaiste voorbeeld is de betonnen ventilatiekoker die sans gêne tegen de voorgevel werd geplaatst. 
Een ander punt dat gevoeliger leek te liggen dan verwacht, was het uittrekken van een nieuw volume in de richting van het plein. Dit mocht geen té imposant gebouw zijn dat de nevenliggende kolos zou kunnen in de schaduw stellen.
Dit vereenvoudigde de zoektocht naar extra ruimte dus zeker niet. 
Eerst moest er bepaald worden op welk niveau we zouden binnen komen. Normaal sluit de pas van de begane grond aan op het buitenpeil. 
Vraag is: welk buitenpeil en welke binnenpas ?
U moet namelijk weten dat dit mijngebouw eigenlijk nooit een begane grond heeft gehad die aansloot op de buitenpas : het onderdek was nu eenmaal maar een technische kruipruimte die men bereikte via stalen binnentrappen om de onderbuik van de mijnmachines te kunnen onderhouden. De échte begane grond ligt één meter lager dan de gemiddelde buitenpas . De “belle-étage” was gereserveerd voor de machines en bevond zich op ca 5 meter boven het terrein .Om die evidente reden werd de hoofd-inkom van het theatercomplex voorzien op dit kelder-niveau dat eigenlijk maar net iets lager ligt dan het centrale plein dat ook al 70 cm lager lag om het niveauverschil van ca 2 meter tussen beide zijden van de site uit te vlakken. De hoofdinkom werd dus logisch aangesloten op het plein. Door binnen te komen op het allerlaagste niveau konden we gebruik maken van de hoge ruimtes van het onderdek. Daardoor is er op het gelijkvloers voldoende hoogte om een tussenverdieping in het ophaalgebouw te voorzien.
 
De grote podiumzaal werd echter niet op het gelijkvloers voorzien maar net als de andere machines wordt ze als een theatermachine op de verhoogde bel-etage gezet : dit is immers het belangrijkste peil én het enige dat consequent doorloopt in het ganse complex waardoor het hart van Muze zich letterlijk op één lijn plaatst met de andere mijnzalen van fase 1. En net als bij die machines bevinden de ondersteunende functies zich daaronder. 
 
 
Deze hoge inplanting kan uiteraard een probleem zijn voor de evacuatie van de honderden theaterbezoekers ware het niet dat we voorheen al een ruime verhoogde passerel hadden ingepland naast het gebouw om de binnenvloer door te trekken naar buiten. Deze stalen promenade fungeert dus onverwacht als vluchtplatform en er zal enkel een trappartij moeten worden bij voorzien . 
   
De ruimte van de imposante hal zal dus integraal behouden blijven . Men zal door de opgehangen akoestische panelen het dakvlak en de stalen spanten kunnen blijven zien. Uiteraard moeten er ook tegen de wanden isolatie en akoestische bekledingen worden voorzien maar daarboven blijven de bakstenen muren prominent aanwezig. 
   
De rolbrug blijft hangen en wordt zelfs gebruikt als onderdeel van de loopbruggen-infrastructuur hoog boven de tribune. Hét pronkstuk van deze zaal is het raam dat uitgeeft op het plein en de Monnoyer-schouw. Normaal is dat natuurlijk “not-done” omdat theaterzalen nu eenmaal dichte gesloten dozen zijn . Maar aangezien deze zaal ook overdag zal gebruikt worden en niet enkel voor toneelvoorstellingen, hebben we ervoor gekozen om dit raam niet dicht te maken waardoor deze zaal op zich al uniek zal zijn in Vlaanderen gezien de gigantische omvang van dit kathedraalraam.
    
De uitgangen van de zaal , ook deze bovenaan de tribune, komen uit in Ophaalgebouw 2. Deze pas gerestaureerde zaal met de enige nog overblijvende ophaalmachine is de gedroomde foyer . De bovenuitgangen komen uit op een nieuwe stalen passerel waardoor men de installatie ook van uit de hoogte kan overschouwen en alle circulatie bij het betreden en verlaten van de zaal zich concentreert in één ruimte zonder al te veel gangen en traphallen te moeten doorlopen. De grote poortopeningen tussen de twee ophaalgebouwen blijven behouden en geven toegang tot de vestiaire, sanitair en benedeningangen van de zaal die onder het schuin vlak van de tribune worden geschoven. Kwestie van elke kubieke meter in het gebouw optimaal te benutten…..
 
Naast een tribune heb je in een podiumzaal uiteraard ook een verhoogde toneelscene nodig. Die kon enkel voorzien worden op de plaats van de aangebouwde annex . Deze was gelukkig wel juist breed genoeg om de zijtonelen te kunnen voorzien aan weerskanten van de scene-opening. Voor deze opening moesten 3 van de 5 traveeën van de voormalig zijgevel worden uitgebroken. Het onderdek van de annex die ook hier behoorlijk veel betonnen kolommen bevatte kon maximaal behouden blijven en in dit labyrint werden kleedkamers en loges ingepast. Maar zowel de dakplaat als de kopse gevel konden onmogelijk bewaard blijven want de gewenste toneeltoren moest twee keer zo hoog zijn. Niet enkel omdat men hogere ambities had dan een parochiezaal-podium maar ook omdat men deze keer een heuse trekkenzolder wenste. Dit knelpunt moest in elk geval ontmijnd worden met Erfgoed omdat anders het ganse project op de helling kwam te staan. En nu herhalen we het citaat van dhr Bourgeois: “ de architect moet op zoek gaan naar de toleranties voor verandering samen met het agentschap Erfgoed : hoe ver kan men gaan om de erfgoedwaarde niet verloren te laten gaan ?”
We denken dat de uiteindelijk oplossing een mooi staaltje is van dergelijke zoektocht naar toleranties: we hebben de zijwanden die beeldbepalend zijn in het totaalensemble overeind gelaten, met inbegrip van de ramen. Het gezicht van het kleine en jongste broertje blijft m.a.w. aanwezig op de groepsfoto. Is dit facade-architectuur? We menen dat het dat net niet is omdat er toch ook nog een stevige portie van het gebouw werd bewaard in het onderdek en omdat die resterende gevels langs de binnenzijde ook niet worden weggestopt achter nieuwe wanden. Het litteken blijft zichtbaar op de scene en maakt ook deze voor de rest cleane toneeltoren onverwacht ouder en fragieler .
 
  
 
De toneeltoren wordt, net als de rest van het bestaand gebouw uitgevoerd in baksteen maar dan in een grijze kleur die eerder aansluit bij de betonnen sierelementen en later toegevoegde betonnen structuren.
 
Dezelfde creatieve elasticiteit moesten we gebruiken bij het ontwerp voor de Big Ball Room. Het ontwerp voorzag immers niet enkel een theater maar ook een balzaal met een volledig uitgebouwde horeca-service. Er was geen andere keuze dan dit nieuwe volume uit te bouwen in de richting van het plein. De zone in kwestie was wél nog niet aangelegd omdat er ooit een masterplan voor de ganse site werd opgemaakt waarin werd vastgelegd dat er nog een afsluiting van het plein moest komen langs de zijde van de Industrielaan. We hebben dit gebouw bewust niet hoger gemaakt dan de sokkel van het mijngebouw om het profiel van het complex niet te verstoren en de met veel moeite behouden zijgevels van de annex niet opnieuw achter een nieuwe aanbouw weg te steken. 
Deze grote platte doos fungeert ook als keermuur voor het niveauverschil van ca 2 meter tussen het plein en de straat en maskeert niet alleen de straat maar ook de loskade achter het gebouw. 
 
De grote voetafdruk van deze uitbouw vormde ook het laatste stukje van de puzzel om het vereiste programma in het gebouw te krijgen: er werd een even grote kelderverdieping onder voorzien met loges voor de artiesten van de balzaal, geluidsstudio, sanitair en vooral veel bergingen…
 
  
 
Ook in het onderdek van het ophaalgebouw en de annex is er geen enkel vierkante meter ongebruikt gebleven. Lockers, lokalen voor techniekers en technieken maar ook nog een kleine theaterzaal met een mobiele tribune .
 
Deze zaal ligt niet toevallig vlak achter de misschien wel belangrijkste kern van het gebouw: het wereldberoemde Muzecafé dat uiteraard zal moeten mee verhuizen en waar muziekoptredens nu ook al doorgaan in het café. Ze zullen er met deze kleine zaal alleen maar kunnen op vooruit gaan.
 
De rondleiding is zelfs nog niet helemaal beëindigd : er zijn nog burelen, artiestenfoyers, kleedkamers, technische lokalen, enz…. Maar we moeten hier stoppen. Ik hoop U ervan te hebben overtuigd dat dit al bij voorbaat een niet onaardig voorbeeld qua herbestemming zal worden en dat er naast de Luchtfabriek een heuse theaterfabriek in de stellingen staat die evenveel energie zal genereren als de voormalige stoomcompressoren.
 
 
Dank voor uw aandacht.
 
 



Het project omvat de herbestemming en restauratie van gebouwen op het terrein van de voormalige steenkolenmijn van Zolder.
Een gedeelte van het beschermde ophaalmachinegebouw (ophaalgebouwen 1 en 2, compressorenzaal) werd al in een eerdere fase gerestaureerd en gerenoveerd.
De huidige vergunningsaanvraag betreft het resterend gedeelte, zijnde het ophaalgebouw 3 en annex, waarbij de bestaande invulling en de annex wordt verwijderd zodat een leeg volume wordt bekomen.In het gebouw wordt de onderste verdieping ingericht tot een café, een kleine theaterzaal en enkele technische lokalen. Het bovenste deel biedt plaats aan een schouwburg voor 400 personen en voorziet tevens enkele sanitaire en technische lokalen.In de annex wordt op het bovendek de toneelscène ingevuld waarboven de toneeltoren wordt opgericht. Deze toren met een hoogte van 19m wordt als een nieuw volume tussen de bestaande kopse gevels van de annex geschoven zodat deze integraal behouden kunnen blijven. Het onderdek wordt opgesplitst via een nieuwe tussenvloer en wordt ingevuld met de loges van de artiesten en met administratieve lokalen. Op het gelijkvloerse niveau worden nog de lockers, een berging en enkele technische ruimtes voorzien.In het verlengde van de reeds aanwezige box in cortenstaal wordt voorlangs de zuidgevel de foyer ingericht waarvan het dak op dezelfde hoogte ligt als het huidige zuidterras.In aansluiting op de foyer wordt naast de annex een nieuw volume gebouwd eveneens bekleed met cortenstaal. Aansluitend wordt de nieuwe feestzaal opgetrokken die als balzaal en als fuifzaal zal fungeren. In het nieuwe volume wordt plaats geboden aan een keukenruimte, een aantal technische lokalen, bergplaatsen, sanitaire lokalen, een opnamestudio en enkele muziekopleidingslokalen.